Dominicus.

Memoires van mijn basisschooltijd.

Geschreven op 20 augustus 2011 te Loughborough, Engeland.

Tijdens het eerste jaar van de basisschool ben ik van Het Tarcisius in Hillegersberg naar de Domicusschool in Blijdorp gegaan, alwaar een strakker regime heerste. Dat vond ons moeder beter. Mijn zus en broer waren mij al voorgegaan. Mijn basisschooltijd op de Rooms-Katholieke Domicusschool was een bijzondere tijd. Met name halverwege, in de derde en de vierde klas toen ik nog redelijk onbezorgd en heerlijk naïef was. Het is niet verwonderlijk dat de basisschooltijd in de literatuur erg populair is, denk bijvoorbeeld aan Kees de Jongen. Je ervaart de wereld om je heen nog als een avontuur. Ik snapte de wereld nog niet, laat staan mijzelf. Ik was een druk mannetje en erg klungelig.

Ik heb nu de behoefte om deze relatief goede tijd in mijn leven op te graven uit mijn geheugen en de grappige momenten eruit te lichten. De verhalen zijn echt, alleen de namen van de docenten zijn vanwege de privacy veranderd in fictieve namen.

Eén computer

Vroeger op de Rooms-Katholieke basisschool was er maar één computer en deze stond op de kamer van de rector, Meneer Vlooibal. Wij kenden toentertijd alleen de achternamen van de staf. Je sprak hen met u aan en je had respect. Of eigenlijk angst, maar dat kwam op hetzelfde neer; je hield je een beetje  gedeisd. Ik vermoed dat het aanraken van de computer de dood tot gevolg zou hebben. Of in ieder geval zou niemand ooit meer iets van je horen. Het AMBER-alert bestond immers nog niet. Ik denk dat de grote stalen kast achter in de kamer bedoeld was om de overtreders van deze elementaire regel in op te bergen. En terecht, als iemand anders dan de rector achter die reusachtige machine zou gaan zitten, dan zou alles op school in het honderd lopen. Deze onderwijsinstelling was immers gestoeld op orde en regelmaat. Zo wis je tenminste waar je aan toe was.

Zonder computers ging het best aardig. Ik kende het bestaan van deze grote rekenmachines en dat was voorlopig voldoende. Weliswaar had ik aan het einde van mijn basisschooltijd nog geen enkele computervaardigheid geleerd, maar ik kon wel heel goed rekenen in mijn hoofd en schrijven met een pen.

Broekplassen

Toen ik in de tweede klas weer eens in mijn broek geplast had, durfde ik dat niet tegen de juf te zeggen. Immers, voor de rest was iedereen al zinnelijk. Dus toen ging ik in de pauze rondjes rennen over het schoolplein en ijverig bovenop het klimrek klimmen. Dan zou de wind langs mijn broek er wel voor zorgen dat de zure geur verdween. Heerlijk naïef was ik toen. Uiteindelijk bleek er een reservebroek voor dit soort gevallen te zijn. Het was een ribbroek. Grappig dat ik mij dat soort details nog herinner.

Overblijven in de tweede en derde klas

Ik herinner mij ook dat ik tijdens de lunch – bij ‘het overblijven’ zoals dat toen heette – de door mijn moeder gesmeerde bammetjes vaak moest opeten op de klep van de piano, in plaats van gewoon aan tafel bij mijn klasgenootjes. (En ik kreeg destijds al zoveel toetsen voorgelegd). Het was omdat ik volgens mevrouw Vlooibal (de overblijfjuf, tevens de vrouw van de rector en fulltime heks), vaak ondeugend of onrustig was. Maar ik was niet echt ondeugend, ik was hooguit klungelig.

De derde klas (dat is groep 5, geloof ik)

De juffrouw van de derde klas, mevrouw Van der Tucht, was echt een apart mens. We waren toen doodsbang voor haar. Ze kon namelijk behoorlijk uit haar slof schieten. Dan kraste ze (nog meer dan normaal) als een valse kraai. Maar achteraf gezien was het een toplerares. We hebben ontzettend veel geleerd dat jaar. De klassieke rijtjes die we structureel in onze hoofdjes kregen gestampt zal ik nooit vergeten. De tafels van 1 t/m 20, de gehele topografie van Nederland en de gewichtsmaten met bijbehorende handbewegingen; “1 kilo is twee pond is tien ons is ..” et cetera. Alle rijtjes werden opgedreund met een eentonige cadans. Het was een leermethode waar de falende communistische dictators van die tijd (eind jaren tachtig) jaloers op zouden zijn. Onder het stevige bewind van juffrouw Van der Tucht zou de muur nooit zijn gevallen.

Topografie vond ik het allerleukst. We leerden de plaatsen per provincie middels een liedje uit ons hoofd, zoals: “Groningen: Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Veendam, Nieuwe Pekela, Oude Pekela, Stadskanaal, Winschoten, Delfzijl.. “ enzovoort. Ik repeteerde ze gedachteloos, zonder mij hardop af te vragen waarom een onbetekenend dorpje als Haren in dit rijtje met wereldsteden voorkwam. Het belangrijkste op dat moment was dat ik het rijtje nog voor de overhoring uit mijn hoofd kende. Als ik nu met de trein langs een willekeurige plaats in Nederland kom dan dreun ik spontaan alle omliggende plaatsen van de desbetreffende provincie op, tot vermaak of ontsteltenis van mijn medepassagiers. Bedankt juffrouw Van der Tucht.

Twee keer per week hadden we gymnastiek. Maar een van de twee lessen bestond louter uit oefeningen. Mevrouw Van der Tucht deed ze voor. Maar wij wisten wel wat er kwam, we deden immers altijd dezelfde stomme oefeningen. De vreemdste was die oefening waar we met onze schouders op de grond moesten leunen, terwijl we met onze benen in de lucht fietsbewegingen maakten. Van der Tucht was een vrouw op leeftijd en zij had altijd een badpak aan tijdens de gymnastiekoefeningen. Je kunt je voorstellen dat het, met name bij deze oefening, geen sexy gezicht was.  Maar eerlijk gezegd boeide dat nog niet zo in de derde klas. Ik keek sowieso vanaf de volgende klas pas echt naar vrouwen/meisjes om. En rond die tijd schaamde ik mij teveel voor deze guitige gevoelens om er iets van te laten merken.

De vierde (groep 6)

In de vierde kregen we een meester, meneer Snorremans. (Door een wissel kregen we hem later ook in de zesde). Ik heb mij in de vierde klas eens goed in de nesten gewerkt. Er was in die tijd een spelletje in de mode bij de meisjes, iets met een gevouwen papiertje met kleurtjes en nummers. Het meisje met het papiertje in haar hand vroeg je dan een getal en een kleur te noemen. Vervolgens deed ze iets met vingers, waarna er een luikje openging in het papiertje en dan zei ze dat je ‘een poesje’ of iets dergelijks was, want dat stond op het papiertje. Het was in ieder geval ongelooflijk onschuldig.

Ik vond dat uiteraard niet stoer genoeg, dus toen heb ik mijn eigen papiertje gemaakt. Echter nu met schuttingtaal zoals ‘flapdrol’ en ‘lulletje rozenwater’. Toen ik na de pauze weer naar binnen in het schoolgebouw liep, stond de juf van de blokfluitles vlak achter de deur. Zij eiste het papiertje op. Speeltijd was immers voorbij, maar bovenal was zij gewoon rete nieuwsgierig naar wat wij allemaal in onze mars voerden op het schoolplein. Gehoorzaam gaf ik het af. Een kwartier later gaf meneer Snorremans een dondertoespraak tegen de hele klas. Hij vertelde dat er zo’n vouwpapiertje was onderschept en dat hij zeer geschokt was over deze baldadigheid. Dit soort taal hoorde niet thuis op deze nette school. Hij was furieus. Hij wilde niet zeggen van wie het papiertje was, want ‘dit was een les voor iedereen’. Ondertussen keek hij nauwelijks mijn kant op. Ik zat uit schaamte weggedoken in de schoolbank. Ik had toen klassikaal moeten opbiechten dat het mijn domme actie was en dus totaal niet representatief voor de hele klas. Alle andere papiertjes waren namelijk superlief. Maar dat was achteraf gedacht. In mijn gedachten was ik altijd eerlijk en rechtvaardig, maar op dat moment durfde ik niets te doen behalve te zwijgen. Van de ene op de andere dag verdween dit onschuldige kinderspelletje van het schoolplein, door mij. Nu zeg ik het dan maar, tweeëntwintig jaar na dato: sorry, lieve klasgenootjes, dat ik dit spelletje kapot heb gemaakt.

Een maal per week kregen wij Franse les van de rector. Maar van Frans had ik geen fromage gegeten. Verder kregen wij in de vierde klas blokfluitles. Daar kon ik al helemaal geen zak van. De frustratie was af te lezen aan het half afgeknaagde mondstuk.

Iedereen had bij handenarbeid een eigen blokfluitzak gebreid. Die van mij was net zo truttig als alle anderen. Op een goede dag gleed de gebreide blokfluitzak uit mijn boekentas toen ik naar school fietste, net toen ik over de Rozenbrug reed. Een meneer die mij inhaalde zei dat er iets uit mijn tas was gevlogen. Ik antwoordde dat ik geen tijd had om te stoppen. Ik had namelijk een vermoeden wat het was en dacht stiekem ‘zo, daar ben ik vanaf’. Bovendien, ik was al te laat.

Eens per maand had meneer Snorremans een ATV-dag. Dat vonden wij fantastisch, want de vervangende juffrouw kon totaal geen orde houden. We kregen anarchistische trekjes. Dit was onze vrijheidsstrijd. We werden vervelend en pesterijtjes werden op deze dagen niet bestraft. Is niet goed te praten.

De vijfde (groep 7)

In de vijfde klas hadden we juffrouw Tuinafval. Zij was wel aardig. Als zij klassikaal een vraag stelde, dan stak aanvankelijk iedereen die het antwoord dacht te weten zijn of haar hand heel hoog in de lucht, een beetje loskomend van de stoel om meer hoogte te maken en een steunend geluid producerend om nog meer aandacht te trekken. Zodoende hoopte je ‘een beurt’ te krijgen. Zo heette dat toen, ik kan er niets aan doen. Maar sinds dat de juf had verteld dat je voortaan alleen een beurt kreeg als je netjes zat, ging iedereen die een vraag wilde beantwoorden overdreven kaarsrecht zitten met de armen extra strak over elkaar. Je steunde er nog steeds een beetje bij zodat het niet onopgemerkt bleef. En dat deed je dan net ietsje opvallender dan de buurman. Het moet een aandoenlijk, of op z’n minst maf, gezicht zijn geweest.

Daarentegen wilde je liever niet je hand opsteken als je zelf een vraag had. Met name niet tijdens het maken van een toets. Dan was namelijk de kans groot dat juffrouw Tuinafval naar je toe kwam, zich over je heen boog en zacht naast je gezicht begon te praten. De geur die dan uit haar mond kwam was werkelijk niet te harden. Het was net of ze alleen compost at. Tanden poetsen deed ze volgens mij niet, want haar tanden zagen er niet uit. Maar je kon er uiteraard niets van zeggen.

De zesde (groep 8 )

In de zesde klas waren wij ‘de groten’ waar wij vroeger tegenop hadden gekeken. We waren ons volledig bewust van de stijging in rang en gedroegen ons ook als zodanig.

Ik kreeg in het begin van het jaar een ongeluk. Terwijl ik op weg naar school wilde voorsorteren met mijn fiets werd ik aangereden door een auto. Het klinkt erg dramatisch. Dat was het ook wel, maar ik kan mij van de eerste week daarna weinig herinneren en ik heb nooit enige fysieke pijn gevoeld. Toen ik thuis mocht herstellen kwam er een afvaardiging van mijn klas op bezoek. Ze hadden met de hele klas een cassettebandje voor mij gemaakt met een hoorspel, grapjes en persoonlijke verhaaltjes. Het was echt hartverwarmend.

Aan het eind van het jaar was ik gewoon weer op school.  Onze basisschooltijd werd afgesloten met een bijzonder kamp. Toen was het voorbij. De romantiek van de basisschooltijd vervloog. Alles daarna was minder. Maar ach, zo gaat dat. Dank aan mijn oud-klasgenootjes, waaronder: Maurice, Natasha, Esmeralda, Felix, Gianni, Johanna, Quirine, Robert, Marianne, Manon, Naomi, Yvonne, Annemiek, Stefan, Martijn, Xavier, Carol en alle anderen wiens namen mij even ontschoten zijn. Sorry, maar het is twintig jaar geleden.

Sijmen.©

3 thoughts on “Dominicus.

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *