Meeuwen

meeuwMeeuwen zijn deze zomer een trending topic in Leiden. Althans, #meeuwenoverlast. Er wordt gezeurd over het geluid dat ze produceren en het feit dat ze wel eens vuilniszakjes kapotmaken. Genoeg reden voor een razzia, is de overheersende mening. Er wordt gesproken over het inzitten van valkeniers, het weghalen van de eieren van meeuwen en zelfs het neerschieten van deze arme schepsels. Ach en wee.

Veel mensen zetten in de zomer graag de ramen en deuren open. Lekker. Het grote nadeel is echter dat je dan geconfronteerd wordt met de geluiden van de natuur. Het is zo hinderlijk. De perfecte stilte in de stad wordt verstoord door meeuwen, met hun geschater. Daar zou wat tegen gedaan moeten worden, vindt de burger. Meeuwen doodwensen is inmiddels zo ingeburgerd, dat men de daad bij het woord wil gaan voegen.

Een meeuw zal inderdaad niet snel The Voice winnen. Meeuwen krijsen vooral. Aan de andere kant, het mensengeschreeuw dat je op televisie voorbij hoort komen, wordt ook niet door iedereen even goed gevonden. Stel dat het publiek een talentenjacht zou mogen jureren en dan niet met omdraaiende stoelen maar met jachtgeweren. Het is tenslotte een talentenjacht. Maar het gaat misschien een beetje ver om mensen neer te schieten, enkel omdat je hun gezang niet waardeert? Stel dat je niet van het gezang van Guus houdt. Dan ga je hem toch niet meteen neerschieten? Wél als Guus meeuw is?

Dan het andere bezwaar: je kunt niet eens meer gewoon je pleuriszooi op straat gooien, zoals een eerlijke aso betaamt, of er komen meeuwen op af! Let op: vaak dragen deze meeuwen camera’s. Zo kan de overheid in de gaten houden wat de mensen met hun huisvuil doen, om ze later te kunnen beboeten. Van dit soort bemoeienis houdt de gewone burger niet. Het is een grove schending van zijn privacy.

995953_10151734794510971_475309402_nWeliswaar staan er overal in Leiden ijzeren vuilniscontainers, waarmee het probleem opgelost zou zijn, maar daar moet je soms wel vijftig meter voor lopen! En iedereen weet dat je van een paar meter lopen met een vuilniszak pleuris krijgt. Dus dat kan niet de oplossing zijn. Nu komt de Gemeente Leiden ook de pleurisvrezende burger tegemoet door speciale, extra stevige vuilniszakken te subsidiëren. Zie het plaatje rechts. Maar daar moet je dan ook weer moeite voor doen. Bovendien is het bedacht door gemeenteambtenaren en we hadden net geconstateerd dat die niet te vertrouwen zijn.

Kortom, het enige wat je nog kan doen is een bloedige oorlog tegen meeuwen beginnen. Dood aan alle meeuwen. En als de stad dan verlost is van deze paria, dan is het allemaal goed. Althans, dan heb je de duiven nog natuurlijk en de onderburen, die blijken dan toch ook wel enige overlast te bezorgen. En dan zijn er nog een paar andere burgerlijk ergernisjes die stevig aangepakt moeten worden, maar je begrijpt wat ik bedoel.

Groet, Sijmen©

P.S.: dan zijn er ook nog van die mensen die zeuren dat meeuwen hun auto onderpoepen. Dan denk ik van ja, koop dan gewoon een witte auto.

999517_10151734794580971_1097380439_n1069151_10151734791245971_155864542_n995953_10151734794510971_475309402_n.

.

.

 

Dominicus.

Memoires van mijn basisschooltijd.

Geschreven op 20 augustus 2011 te Loughborough, Engeland.

Tijdens het eerste jaar van de basisschool ben ik van Het Tarcisius in Hillegersberg naar de Domicusschool in Blijdorp gegaan, alwaar een strakker regime heerste. Dat vond ons moeder beter. Mijn zus en broer waren mij al voorgegaan. Mijn basisschooltijd op de Rooms-Katholieke Domicusschool was een bijzondere tijd. Met name halverwege, in de derde en de vierde klas toen ik nog redelijk onbezorgd en heerlijk naïef was. Het is niet verwonderlijk dat de basisschooltijd in de literatuur erg populair is, denk bijvoorbeeld aan Kees de Jongen. Je ervaart de wereld om je heen nog als een avontuur. Ik snapte de wereld nog niet, laat staan mijzelf. Ik was een druk mannetje en erg klungelig.

Ik heb nu de behoefte om deze relatief goede tijd in mijn leven op te graven uit mijn geheugen en de grappige momenten eruit te lichten. De verhalen zijn echt, alleen de namen van de docenten zijn vanwege de privacy veranderd in fictieve namen.

Eén computer

Vroeger op de Rooms-Katholieke basisschool was er maar één computer en deze stond op de kamer van de rector, Meneer Vlooibal. Wij kenden toentertijd alleen de achternamen van de staf. Je sprak hen met u aan en je had respect. Of eigenlijk angst, maar dat kwam op hetzelfde neer; je hield je een beetje  gedeisd. Ik vermoed dat het aanraken van de computer de dood tot gevolg zou hebben. Of in ieder geval zou niemand ooit meer iets van je horen. Het AMBER-alert bestond immers nog niet. Ik denk dat de grote stalen kast achter in de kamer bedoeld was om de overtreders van deze elementaire regel in op te bergen. En terecht, als iemand anders dan de rector achter die reusachtige machine zou gaan zitten, dan zou alles op school in het honderd lopen. Deze onderwijsinstelling was immers gestoeld op orde en regelmaat. Zo wis je tenminste waar je aan toe was.

Zonder computers ging het best aardig. Ik kende het bestaan van deze grote rekenmachines en dat was voorlopig voldoende. Weliswaar had ik aan het einde van mijn basisschooltijd nog geen enkele computervaardigheid geleerd, maar ik kon wel heel goed rekenen in mijn hoofd en schrijven met een pen.

Broekplassen

Toen ik in de tweede klas weer eens in mijn broek geplast had, durfde ik dat niet tegen de juf te zeggen. Immers, voor de rest was iedereen al zinnelijk. Dus toen ging ik in de pauze rondjes rennen over het schoolplein en ijverig bovenop het klimrek klimmen. Dan zou de wind langs mijn broek er wel voor zorgen dat de zure geur verdween. Heerlijk naïef was ik toen. Uiteindelijk bleek er een reservebroek voor dit soort gevallen te zijn. Het was een ribbroek. Grappig dat ik mij dat soort details nog herinner.

Overblijven in de tweede en derde klas

Ik herinner mij ook dat ik tijdens de lunch – bij ‘het overblijven’ zoals dat toen heette – de door mijn moeder gesmeerde bammetjes vaak moest opeten op de klep van de piano, in plaats van gewoon aan tafel bij mijn klasgenootjes. (En ik kreeg destijds al zoveel toetsen voorgelegd). Het was omdat ik volgens mevrouw Vlooibal (de overblijfjuf, tevens de vrouw van de rector en fulltime heks), vaak ondeugend of onrustig was. Maar ik was niet echt ondeugend, ik was hooguit klungelig.

De derde klas (dat is groep 5, geloof ik)

De juffrouw van de derde klas, mevrouw Van der Tucht, was echt een apart mens. We waren toen doodsbang voor haar. Ze kon namelijk behoorlijk uit haar slof schieten. Dan kraste ze (nog meer dan normaal) als een valse kraai. Maar achteraf gezien was het een toplerares. We hebben ontzettend veel geleerd dat jaar. De klassieke rijtjes die we structureel in onze hoofdjes kregen gestampt zal ik nooit vergeten. De tafels van 1 t/m 20, de gehele topografie van Nederland en de gewichtsmaten met bijbehorende handbewegingen; “1 kilo is twee pond is tien ons is ..” et cetera. Alle rijtjes werden opgedreund met een eentonige cadans. Het was een leermethode waar de falende communistische dictators van die tijd (eind jaren tachtig) jaloers op zouden zijn. Onder het stevige bewind van juffrouw Van der Tucht zou de muur nooit zijn gevallen.

Topografie vond ik het allerleukst. We leerden de plaatsen per provincie middels een liedje uit ons hoofd, zoals: “Groningen: Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Veendam, Nieuwe Pekela, Oude Pekela, Stadskanaal, Winschoten, Delfzijl.. “ enzovoort. Ik repeteerde ze gedachteloos, zonder mij hardop af te vragen waarom een onbetekenend dorpje als Haren in dit rijtje met wereldsteden voorkwam. Het belangrijkste op dat moment was dat ik het rijtje nog voor de overhoring uit mijn hoofd kende. Als ik nu met de trein langs een willekeurige plaats in Nederland kom dan dreun ik spontaan alle omliggende plaatsen van de desbetreffende provincie op, tot vermaak of ontsteltenis van mijn medepassagiers. Bedankt juffrouw Van der Tucht.

Twee keer per week hadden we gymnastiek. Maar een van de twee lessen bestond louter uit oefeningen. Mevrouw Van der Tucht deed ze voor. Maar wij wisten wel wat er kwam, we deden immers altijd dezelfde stomme oefeningen. De vreemdste was die oefening waar we met onze schouders op de grond moesten leunen, terwijl we met onze benen in de lucht fietsbewegingen maakten. Van der Tucht was een vrouw op leeftijd en zij had altijd een badpak aan tijdens de gymnastiekoefeningen. Je kunt je voorstellen dat het, met name bij deze oefening, geen sexy gezicht was.  Maar eerlijk gezegd boeide dat nog niet zo in de derde klas. Ik keek sowieso vanaf de volgende klas pas echt naar vrouwen/meisjes om. En rond die tijd schaamde ik mij teveel voor deze guitige gevoelens om er iets van te laten merken.

De vierde (groep 6)

In de vierde kregen we een meester, meneer Snorremans. (Door een wissel kregen we hem later ook in de zesde). Ik heb mij in de vierde klas eens goed in de nesten gewerkt. Er was in die tijd een spelletje in de mode bij de meisjes, iets met een gevouwen papiertje met kleurtjes en nummers. Het meisje met het papiertje in haar hand vroeg je dan een getal en een kleur te noemen. Vervolgens deed ze iets met vingers, waarna er een luikje openging in het papiertje en dan zei ze dat je ‘een poesje’ of iets dergelijks was, want dat stond op het papiertje. Het was in ieder geval ongelooflijk onschuldig.

Ik vond dat uiteraard niet stoer genoeg, dus toen heb ik mijn eigen papiertje gemaakt. Echter nu met schuttingtaal zoals ‘flapdrol’ en ‘lulletje rozenwater’. Toen ik na de pauze weer naar binnen in het schoolgebouw liep, stond de juf van de blokfluitles vlak achter de deur. Zij eiste het papiertje op. Speeltijd was immers voorbij, maar bovenal was zij gewoon rete nieuwsgierig naar wat wij allemaal in onze mars voerden op het schoolplein. Gehoorzaam gaf ik het af. Een kwartier later gaf meneer Snorremans een dondertoespraak tegen de hele klas. Hij vertelde dat er zo’n vouwpapiertje was onderschept en dat hij zeer geschokt was over deze baldadigheid. Dit soort taal hoorde niet thuis op deze nette school. Hij was furieus. Hij wilde niet zeggen van wie het papiertje was, want ‘dit was een les voor iedereen’. Ondertussen keek hij nauwelijks mijn kant op. Ik zat uit schaamte weggedoken in de schoolbank. Ik had toen klassikaal moeten opbiechten dat het mijn domme actie was en dus totaal niet representatief voor de hele klas. Alle andere papiertjes waren namelijk superlief. Maar dat was achteraf gedacht. In mijn gedachten was ik altijd eerlijk en rechtvaardig, maar op dat moment durfde ik niets te doen behalve te zwijgen. Van de ene op de andere dag verdween dit onschuldige kinderspelletje van het schoolplein, door mij. Nu zeg ik het dan maar, tweeëntwintig jaar na dato: sorry, lieve klasgenootjes, dat ik dit spelletje kapot heb gemaakt.

Een maal per week kregen wij Franse les van de rector. Maar van Frans had ik geen fromage gegeten. Verder kregen wij in de vierde klas blokfluitles. Daar kon ik al helemaal geen zak van. De frustratie was af te lezen aan het half afgeknaagde mondstuk.

Iedereen had bij handenarbeid een eigen blokfluitzak gebreid. Die van mij was net zo truttig als alle anderen. Op een goede dag gleed de gebreide blokfluitzak uit mijn boekentas toen ik naar school fietste, net toen ik over de Rozenbrug reed. Een meneer die mij inhaalde zei dat er iets uit mijn tas was gevlogen. Ik antwoordde dat ik geen tijd had om te stoppen. Ik had namelijk een vermoeden wat het was en dacht stiekem ‘zo, daar ben ik vanaf’. Bovendien, ik was al te laat.

Eens per maand had meneer Snorremans een ATV-dag. Dat vonden wij fantastisch, want de vervangende juffrouw kon totaal geen orde houden. We kregen anarchistische trekjes. Dit was onze vrijheidsstrijd. We werden vervelend en pesterijtjes werden op deze dagen niet bestraft. Is niet goed te praten.

De vijfde (groep 7)

In de vijfde klas hadden we juffrouw Tuinafval. Zij was wel aardig. Als zij klassikaal een vraag stelde, dan stak aanvankelijk iedereen die het antwoord dacht te weten zijn of haar hand heel hoog in de lucht, een beetje loskomend van de stoel om meer hoogte te maken en een steunend geluid producerend om nog meer aandacht te trekken. Zodoende hoopte je ‘een beurt’ te krijgen. Zo heette dat toen, ik kan er niets aan doen. Maar sinds dat de juf had verteld dat je voortaan alleen een beurt kreeg als je netjes zat, ging iedereen die een vraag wilde beantwoorden overdreven kaarsrecht zitten met de armen extra strak over elkaar. Je steunde er nog steeds een beetje bij zodat het niet onopgemerkt bleef. En dat deed je dan net ietsje opvallender dan de buurman. Het moet een aandoenlijk, of op z’n minst maf, gezicht zijn geweest.

Daarentegen wilde je liever niet je hand opsteken als je zelf een vraag had. Met name niet tijdens het maken van een toets. Dan was namelijk de kans groot dat juffrouw Tuinafval naar je toe kwam, zich over je heen boog en zacht naast je gezicht begon te praten. De geur die dan uit haar mond kwam was werkelijk niet te harden. Het was net of ze alleen compost at. Tanden poetsen deed ze volgens mij niet, want haar tanden zagen er niet uit. Maar je kon er uiteraard niets van zeggen.

De zesde (groep 8 )

In de zesde klas waren wij ‘de groten’ waar wij vroeger tegenop hadden gekeken. We waren ons volledig bewust van de stijging in rang en gedroegen ons ook als zodanig.

Ik kreeg in het begin van het jaar een ongeluk. Terwijl ik op weg naar school wilde voorsorteren met mijn fiets werd ik aangereden door een auto. Het klinkt erg dramatisch. Dat was het ook wel, maar ik kan mij van de eerste week daarna weinig herinneren en ik heb nooit enige fysieke pijn gevoeld. Toen ik thuis mocht herstellen kwam er een afvaardiging van mijn klas op bezoek. Ze hadden met de hele klas een cassettebandje voor mij gemaakt met een hoorspel, grapjes en persoonlijke verhaaltjes. Het was echt hartverwarmend.

Aan het eind van het jaar was ik gewoon weer op school.  Onze basisschooltijd werd afgesloten met een bijzonder kamp. Toen was het voorbij. De romantiek van de basisschooltijd vervloog. Alles daarna was minder. Maar ach, zo gaat dat. Dank aan mijn oud-klasgenootjes, waaronder: Maurice, Natasha, Esmeralda, Felix, Gianni, Johanna, Quirine, Robert, Marianne, Manon, Naomi, Yvonne, Annemiek, Stefan, Martijn, Xavier, Carol en alle anderen wiens namen mij even ontschoten zijn. Sorry, maar het is twintig jaar geleden.

Sijmen.©

Limmerick over Ruud Gullit.

Er was eens een Gullit in Grozny, Die won op het veld zelfs de toss nie, Hij won nooit een cup, Maar in de nachtclub, Daar was hij tenminste de klos nie.

Toelichting: Iedereen was verbaasd toen Gullit aankondigde dat hij naar het-altijd-knallend-gezellige Tsjetsjenië zou vertrekken om het volstrekt onbekende Terek Grozny eventjes aan de Russische landstitel te helpen. Het klinkt als een gewel(da)dig avontuur. En om de heer Rinus Michels (‘de Generaal’) aan te halen: “voetbal is oorlog”. Dus als Gullit naar de instabiele Kaukasus wilt gaan om een evenzo beroerd voetbalteam te coachen, dan moet hij dat vooral doen, dacht ik toen.

Echt iets voor Gullit, coachen in een conflictgebied. Zo’n 15-20 jaar geleden werd hij immers ook al eens geassocieerd met de Balkan. Want ik hoorde iemand toentertijd zeggen: “weetjewatGullitmetdebalkan?”. Of zo. Hehe.

Alle gekheid op een stokje. Onze Ruud had uit onbetrouwbare bron vernomen dat de derde helft in Grozny altijd gezellig is en de Tsjetsjeense bitterballen superlekker zijn. Lees: Grozny heeft hele fijne disco’s en nachtclubs waar je ook heen kan gaan met je net-verdiende ballen [geld]. Deze  toko’s werden, volgens de Tsjetsjeens-Russische  dictatort – en baas van de club – Kadirov, veelvuldig door de Zwarte Tulp bezocht. Maar terwijl Ruud met zijn neus tussen de Tsjetsjeense boobies zat in de nachtclub [volgens Kadirov dus], dreigde de overdagclub Terek te degraderen naar een nog lager niveau.

Maar eerlijk is eerlijk, het kwam ook wel een beetje doordat het bestuur van Terek flauwe grapjes had gemaakt tegen Gullit in de trant van: “ken je die mop van die tweederangs Brazilianen die we hadden besteld? Nou?.. Die komen niet“. Dus dat werkte niet. Kadirov heeft Ruud Gullit nu ontslagen. De voetballegende uit Holland is inmiddels nog minder populair in Tsjetsjenië dan Joran van der Sloot in Peru. Maar misschien wordt hij nog wel jeugdtrainer bij de club, of anders kan hij misschien ijsjes verkopen in het stadion. In ieder geval, zet ‘m op Ruud!

Door: Sijmen.

Een lullepot over World of Warcraft, Wikileaks en Helga van Leur. Volgens een echte alfa.

Ik lees net in de krant van gisteren dat er een uitbreiding is gekomen van World of Warcraft (WoW). Dat is een computerspelletje dat je online kan spelen. Wel typisch dat ik dit in de krant van gisteren lees, want ik loop met dit soort dingen al snel achter de feiten aan. Voor mij is dit net zo interessant als uhh.. een eindeloze lezing over lekkende kranen in overheidsgebouwen. Om maar een raar voorbeeld te noemen.

Of misschien is WoW wel ontzettend boeiend, maar heb ik mij hier de afgelopen jaren opzettelijk afzijdig van gehouden, om te voorkomen dat ik verslaafd zal raken en vervolgens alle realiteit en normale sociale contacten uit het oog zal verliezen. Dat blijkt het grote gevaar volgens een recent onderzoek, maar dat wist iedereen natuurlijk allang.* Na een paar jaar intensief WoW spelen, kun je  met je digitale vrienden (andere vrienden heb je dan niet meer) alleen maar praten over dingen als “waar was jij toen Anarchist Devil 71 vermoord werd?” Zo’n leven lijkt mij niks.

Ik ben een alfa. Ik ben een grotere fan van HvL dan van WoW. Want HvL staat voor Helga van Leur. Zij is net verkozen tot weervrouw van het jaar. Dat heeft bar weinig met science fiction te maken en dat vind ik het mooiste er aan. Maar eerlijk is eerlijk, ik hou ook wel van een beetje fictie op zijn tijd. Ik heb Lord of the Rings (‘LotR’, voor de echte nerds) op dvd gezien. Er schijnen ook boeken van te zijn, maar dat is mij volledig ontgaan. James Bond, en dat soort spannende spionagefilms, vind ik ook best gaaf.

Er is echter een man die enerzijds een onwijze nerd is en ook al jaren een scifi-achtig dubbelleven lijdt (vgl. WoW), en tegelijkertijd ook het gesprek van de dag is in de ‘echte wereld’. Zelfs onder digibeten. Het is – enemy of the state – Julian Assange van Wikileaks. Hij is verantwoordelijk van het laten lekken van een geheime kraan met gevoelige informatie. En nu is er een spannende klopjacht geweest die tot zijn dubieuze arrestatie heeft geleid. Wat een verhaal!

Als de eerder genoemde ‘eindeloze lezing over lekkende kranen’ bedoeld was als metafoor voor het gedoe rond Wikileaks, dan is het eigenlijk toch wel spannende materie. Ongelooflijk wat die computernerds kunnen. Ik zat gisteren naar DWDD (De Wereld Draait Door) te kijken en daar was een nerderige jongeman doodleuk aan het vertellen dat hij met een paar drukken op de knop een multinational of een klein land kan platleggen. Ook in de uitzending was oud-Minister Koenders die het voor Julian Assange opnam. Terwijl bijvoorbeeld Arend-Jan Boekestijn (VVD) hem in het AD ‘levensgevaarlijk’ noemt.* Is Assange nu wel of niet de Anarchistische Duivel, die een belangrijke rol speelt in een uitbreiding van de Wereld vol Oorlogsgeweld [vgl. WoW]?

Je kan ook de vraag stellen: Wie moet de wereld redden van de computernerds, nu alle (geheime en niet geheime) informatie van de wereld via ‘hun medium’ wordt doorgespeeld? Of zijn zij juist de bewakers van rechtvaardigheid en orde in de wereld? Nota bene wordt achter de schermen de wereld die wij ‘echt’ noemen (voor zover het ons via internet wordt toegediend) stiekem allang geregeerd door de computernerds. Denk aan Bill Gates of Pieter Rogaar (expert in digitale beveiliging en goede vriend).

Alfa’s zoals ik zouden de nerds eigenlijk wat meer moeten eren. Misschien door ze af en toe een offer te brengen in de vorm van een bloedende maagd, of zo. Enfin, ik dwaal af. Het komt erop neer dat ik zelf niet zoveel verstand heb van computers. Misschien moet ik mij maar gewoon richten op mijn fascinatie voor Helga van Leur, die aldus is verkozen tot de populairste weervrouw van Nederland! Dat hoorde ik gisteren. Maar waarschijnlijk wisten ze dat bij Wikileaks allang.

Einde.

*[Artikelen in het AD van 8-12-2010; Over WoW: ‘riskant voor jongens met zwak zelfbeeld’ p.9. En over Wikileaks: ‘Assange is een schurk’, p.7]